BOEKJE A      het rode puntje               
                                                              

2. In Godes naam wat doe ik hier.....

Ik zie 't nog duidelijk voor me: het station van Niigata rechts, links een viaduct en een japanse leraar engels, die me al enige tijd had gebruikt om zijn engelse conversatie op te praktiseren.
Hij was naast me komen zitten op een bankje en legitimeerde zijn aanwezigheid met de vaststelling, dat praten met mij zijn vaardigheid zou vergroten. Het was 1981 Of '82.
Zomer.
   
Uren eerder op het vliegveld had ik zonder enige twijfel aangenomen een kaart te kunnen kopen om daarmee een looptocht door Japan te beginnen. Mijn rugzak was zwaar beladen inklusief een spiritus kooktoestelletje -zonder spiritus- en veel boeken. Vijfentwintig kilo's. Het vliegveld bleek in alle opzichten een lege plek.
Geen kaart dus.
Het vliegveld bleek ook nog eens een flink eind buiten de stad.

Wat dralend buiten het gebouw ontdekte ik een bushalte. Waar een eventuele bus naar toe zou kunnen gaan had ik best zelf kunnen bedenken. Ik had vanhieruit ook kunnen beginnen te lopen, maar waarheen dan?
Toch maar een kaart Zlen te bemachtigen.
De bus komt. Even ervoor vraagt een jonge japanse vrouw in keurig engels: "can I help you?". Wit fraai gestreken blousje. Ik smelt.

Eerste trede, linkerkant nummertje uit de automaat trekken, zitten. Geen wisselgeld. Geen probleem: bankbiljet in machine naast de chauffeur gedurende het rijden. Een bord met nummers aan de voorkant geeft de prijs per nummer aan. Centrum. Gepast geld op lopend bandje met papieren nummertje. Klaar is Kees.
Winkelstraten; links verkeer. Boekhandel. Kaart van de provlncle: bingo! !
Helemaal tevreden met mezelf.

Oh, nee....alles in't japans....

Tsja, nu echt helemaal geland in Japan.

Wat rondlopen. Echt moe na een lang jaar werken en een zeer lange reis. Het is al vier uur. Ik wil in ieder geval de stad uit zien te lopen voor't donker wordt. Even op een bankje zitten......

Waar ik precies naar toe wil? In ieder geval de stad uit. Welke richting dan? Ik probeer de onderkant van de bovenkant van mijn pas verworven kaart te onderscheiden. Welke    richting dan? Weet ik niet. Tuur op mijn kaart. Zie eigenlijk niets.
Hoe kom ik de stad uit?

Ik loop al uren.
De stad wordt maar niet minder stad.
Het daglicht wordt wel minder.
Wat ben ik moe!
In schemerlicht wordt de bebouwing dunner. Ik loop door steeds meer rijstvelden, die onder water staan. Millioenen piepkleine kikkertjes springen rond, dat het een aard heeft. Ik moet zelfs uitkijken waar ik mijn schoenen neerzet.
Niet één vierkante meter waar ik mijn tent kan opzetten. Alles onder water.

Oh, mijn God, wat ben ik begonnen? Wat doe ik hier?
Gewoontegetrouw vloek ik, waarschijnlijk. Zelfs hier en nu illustreer ik, dat ik uit een christelijke kultuur stam.
Geen keuze dan doorlopen. Geen verkeer, geen mensen. Smalle weg.

Het is echt donker; misschien 7 of 8 uur 's avonds.
Voel ook honger, maar vooral een immense moeheid en verlorenheid. Op goed geluk naar Japan; ezeltje prik: Niigata. Wij zien wel waar het schip strandt.
Nou: hier dan!

Hoe lang ik verder liep; ik weet het niet meer. Knaldonker. Een paar huizen. Geen mensen. Voel me gedemoraliseerd. Is dat een winkeltje?
Misschien.
Misschien ook niet.
Krakkemikkig schuifdeurtje, laag, piepkleine winkel, niemand aanwezig.
Eerst niets, dan gestommel na mijn roepen en tenslotte een totaal verbaasd klein oud vrouwtje.
Zij ziet een lange man met een ongeschoren, gekweld gezicht, die iets van een lach forceert en een enorme rugzak.
Engels is een wereldtaal; de zoveelste verkeerde aanname vandaag.
"Ik zoek een plekje voor mijn tent".
De uiterste verbazing op het gezicht van het vrouwtje blijft. Deze situatie is niet te snappen. Zij roept haar man.
Meer van hetzelfde. Stiltes.
Herhalingen.
Niets werkt.

Menselijke ontmoetingen zijn interessant. Maar niet nu!!!

Ik wijs met veel mimiek op mijn ingepakte tent en doe voor wat ik het liefste van alles wil SLAPEN. Ik mime slapen.
De verbazing wordt alsmaar groter.
Dit is niet leuk.
Duurt naar het lijkt een eeuwigheid.

Een van de twee zal wel weggegaan zijn, of nee, waarschijnlijk een telefoontje gepleegd hebben. Er komt een derde persoon binnen, verlegen. Een vierde. En meer.
Ik herhaal op de toppen van mijn kunnen mijn verwijzingen naar mijn tent en mijn ultieme droom: SLAPEN.
Ik imiteer snurkgeluiden. Ik doe het opbouwen van mijn tent voor in het luchtledige.

Hier grijpt kennelijk de voorzienigheid in en iemand roept met een gebaar van "had dat dan eerder gezegd":
aaahh   T E N T O........

.....

.....
  

Stilte.

.....


Exakt. T e n t o !


Wie beweert er, dat japans een moeilijke taal is?

Ik word snel naar buiten geloodst en in het pikkedonker ergens naar toe gebracht. Na een minuut zie ik vlakke grond, zet in trance mijn tent op en glijd met snelle vaart in een droomloos, comateus slapen.





Vorige pagina

Volgende pagina

Terug naar begin