3. Ach Mensch
"Ach Mensch gib acht."
(Mahler)
Zonder konversatie kon ik zijn warmte voelen; hij was zo'n
rustige man.
Hij bewonderde Noord-Europa, Frankrijk, had een boek over Europa. Hij
plakte foto's op, die hij uit tijdschriften knipte. Ook had hij een
tijdschrift voor kamera-liefhebbers: hij ontwikkelde zelf.
Regelmatig raakte hij even aan de borsten van mijn moeder. Ik was
erdoor gefascineerd. Mijn vader was liefdevol met zijn vrouw.
Toen Fumika en ik elkaar nog niet lang kenden, stuurde ze mij
een
piepklein fotootje op: vader Kuninori met zijn nog jonge dochter. Een
fotootje van helemaal niks.
Ik werd erdoor gegrepen; dat ben ik nog steeds. Het laat zich niet
verklaren. Snappen doe ik het ook niet. Ik kende hem niet eens. De
atmosfeer, hun gevoel spatte dwars door alle vaagheid heen. Op slag
hield ik van deze lelijkste aller foto's. Ik wist niets van
geschiedenis en details.
Op slag ook hield ik van deze man, wilde hem zielsgraag ontmoeten. Pas
vele jaren later hoorde ik over brokstukjes uit zijn leven.
Werd de oorlog ingestuurd, verrekte ver weg diep Rusland in.
Laatst nog vonden wij fotootjes, van die kleine vierkante met
gekartelde randen. Er stonden jonge, russische (?) vrouwen op. Kleine
engelse tekstjes achterop. Altijd bewaard.
Raadsels.
Nooit over verteld. Vrouwen zien er ontspannen uit.
Mijn vader hield van fotograferen...; tja, Fumika, dat zie ik ook wel...
Mijn vader hield ook van buitenlanden.
Over de oorlog zweeg hij als het graf.
Waterdicht.
In zijn huwelijk was mijn vader volkomen toegewijd. Hij was
ook bijster
druk met zijn werk en allerlei secundaire funkties; plichtsgetrouw en
verantwoordelijk.
Hij maakte lange dagen en was maatschappelijk een belangrijk, zij het
bescheiden, man.
Veel later hoorde ik van mijn moeder welk gedicht zijn lieveling was;
dat was nota bene uit het duits vertaald, Ueber den Bergen (Carl Busse
1872 - 1918).
Een keer lag er een pakje op tafel. Ik was misschien acht
jaar. Het
trok me als een magneet. Ik vroeg aan mijn moeder: wat is dat? Zij
antwoordde: dat weet ik niet, dat moet je aan vader vragen. Hij kwam
echter pas laat thuis. Ik vroeg hem waarom dat pakje op tafel lag. Hij
zei, dat is voor jou. Voor mij?
Ja, voor jou.
Ik had het de hele lange dag niet kunnen aanraken, want het zou van
iemand anders kunnen zijn.
In dat magnetische pakje zat mijn lievelingswens: een portemonnaietje
in de vorm van een hondenkop.
Ik was zo gelukkig!
Vissen was zijn spaarzame genoegen; vissen in de rivier. Oke,
toegegeven, een saké-tje liet hij ook niet staan. Dat
spreekt vanzelf.
Ook zondag ging Fumiaki-san vissen in de Niyodo-kawa. 's
Morgens om
ongeveer 11 uur viel er thuis plotseling een pan zonder reden naar
beneden.
Mijn moeder, Setsuko-san, hield zich groot.
's Nachts kwam hij niet terug. De politie werd ingeschakeld. Die nacht
droom ik een nachtmerrie: vader wordt door de rivier meegenomen. De
volgende morgen moest ik gewoon naar school. Ik was 14 jaar.
Om ongeveer half twaalf, 's maandags, zit ik vooraan in de
klas.
Er staat een vaas midden op een tafel.
Zonder reden valt deze op de grond.
Iedereen is perplex.
De school-lunch is van 12.30 - 13.10 uur. De lessen gaan tot 3 uur
door. Ook moest ik nog naar pianoles.
Ik voel me erg bezorgd en ga naar huis.
Teruggekomen zegt mijn familie: je vader is dood.
Ik kan dat niet geloven. Er is geen dood lichaam. Zijn kussen is aan de
noordkant gelegd.
Maandagmorgen is mijn vader gevonden, een heel eind stroomafwaards om
circa half twaalf.
Mijn moeder wist 't en wil me dit niet vertellen. Ik kon haar niet
vinden.
Het was misschien 16 September 1969.
Om ongeveer 3 uur 's middags wordt mijn vader's dode lichaam
in zijn
eigen auto naar huis gebracht.
Mijn moeder schreeuwde en huilde onophoudelijk, drie of vier etmalen.
Ik probeer mijzelf onder kontrole te houden om 't mijn moeder
niet nog
moeilijker te maken.
Mijn grootvader was een hele sterke man.
Hij verborg zich, maar ik kon hem hartverscheurend horen huilen.
Exakt een week later hervat mijn moeder haar werk weer. Zij
is nu
alleen verantwoordelijk voor mij.
Het lukte me niet tijdens de krematie mijzelf te beheersen.
Mijn
verdriet was een vreselijk gezicht, hoorde ik later van mijn familie
Na vier dagen ga ik weer naar school.
Mijn vader wordt nooit ouder. Hij was dood toen hij 48 was.
Ik zeg tegen Fumika, wanneer ik overlijd verlang ik ernaar
hem in mijn
armen te sluiten. Tutto e'luce.
Fumika zwijgt.
Über
den Bergen (Carl Busse 1872-1918)
Über den
Bergen, weit zu wandern
sagen die Leute, wohnt
das Glück.
Ach, und ich ging im
Scharme der andern,
kam mit verweinten Augen
zuriick.
Über Bergen,
weit weit drüben
sagen die Leute, wohnt
das Glück.