BOEKJE B      het rode puntje               
                                                                 

2. Schoonmoeder


Ik heb een schoonmoeder.

Dat is niet zo uitzonderlijk, wanneer iemand getrouwd is. Ik ben getrouwd met een vrouw die de japanse nationaliteit heeft.
Mijn schoonmama is japanse en heet Setsuko. Zij was onderwijzeres.

Fumika, mijn vrouw, vertelde mij, dat haar moeder in alle staten was, toen zij bekende liefde te voelen voor een niet-japanner, een gajin. Setsuko wist te vertellen, dat Nederlanders een bruine huid hebben. Wat dat zou betekenen werd nooit duidelijk. Fumika kreeg de wind van voren, begrijpelijk ook, omdat zij wilde scheiden. Dat was behalve schandelijk en a-moreel, onverstandig ook, het huwelijk als levensverzekering definiërend. Tenslotte was er -moeilijk er precies de vinger op te leggen- iets diffuus rondom een buitenlander sec, want ten principale niet te vertrouwen; verkrachters enzo... In ieder geval niet van een japans gehalte.

Tijdens de oorlog werd de japanse bevolking ingepeperd wat voor beesten amerikanen zouden zijn. Beter te sterven dan hen op japanse bodem toe te laten. Ondermeer op Okinawa zijn er onnodig veel burgers omgekomen met deze waarschuwing in het achterhoofd. Zou het daarmee te maken kunnen hebben? Ik zal er nooit meer achter kunnen komen, omdat Setsuko nu, ongeveer zes jaar later, in de misschien gezegende staat van Alzheimer verkeerd.

Toen het onvermijdelijke onvermijdelijk bleek, stelde Setsuko mokkend een harde eis: ik moest eerst mijn stamboom op papier zetten.
Heb ik een stamboom?
Nou ja, je vader en je moeder, hun ouders en je zus, die een kind heeft.
Om eerlijk te zijn vond ik 't wel chique mijn 'eigen' stamboom te konstrueren. Fumika had er een heldere, geschikte vorm voor.
Wij hadden een groot papier nodig: A1.
Mijn vader kwam uit een nest van 16 kinderen, die allemaal later ook in reproduktieve zin zeer aktief waren. Mijn moeder's moeder was haar op jonge leeftijd ontvallen. Als peuter werd mijn moeder op vakantie gestuurd en teruggekomen was er een vrouw, die zij met mama moest aanspreken, mijn grootvader's tweede vrouw. Er werd verder niet meer over het verleden gesproken. Mijn vader was, al wilde hij dit liever vergeten   ~er rustte ook een taboe op dit onderwerp-    eerder getrouwd geweest en had uit dat huwelijk twee kinderen, die hij verkoos te negeren. Uit het huwelijk met mijn moeder werden ook twee kinderen geboren. Ikzelf was op mijn twintigste getrouwd geraakt, had twee kinderen van wie er 1 helaas voor zijn eerste jaar is overleden. Ik had een derde kind, maar was niet met zijn moeder getrouwd; wel had ik een aktieve rol in zijn opvoeding. Mijn zus was gescheiden, had een zoon en leefde samen met een man met wie zij niet trouwde.
Vrij normale nederlandse verhoudingen, dus.
Alles bij elkaar werd het een boom met een wijde kroon.

Op zekere namiddag maakte ik mijn opwachting in Setsuko's oude en tochtige huis, waar al enkele generates geleefd hadden. Zij zat aan een lage tafel, aansluitend op een intens rommelige, beslist niet schone, dus echte japanse keuken. Het grote papier werd haar voorgelegd. Fumika startte de uitleg. Na enige tijd geluisterd te hebben verloor Setsuko kennelijk de draad; zij snapte er niets meer van.
Het papier moest van tafel, besliste zij resoluut.
Dit onderwerp was (definitief) van de agenda afgevoerd.

Wij zouden erna -formeel- in een deftig restaurant gaan eten. Op mijn kosten; geen tegenspraak mogelijk. Setsuko-san had last van haar heupen en liep moeilijk. Toen wij de taxi uitstapten en wij enkele treden omhoog moesten, greep mijn hand spontaan en reflexmatig haar blote onderarm, ter ondersteuning. Als door een wesp gestoken weerde zij me fel af.
Later begreep ik de volle omvang van dit voorval. Setsuko was op de jonge leeftijd van 47 jaar onverwachts weduwe geworden. Sinds die tijd had zij een ander man's en zeker een man haar blote huid niet aangeraakt. Dit huid/huid-kontakt, hoe goed bedoeld ook, was een affront en iets wat uit haar leven gebannen was. Verschillende keren ging ik weer in de fout, wanneer ik reflexmatig en als vanzelfsprekend haar wilde helpen. Tijdens het diner was Setsuko gereserveerd. Misschien wist zij ook niet zo goed wat zij met dit alles aanmoest.

Nooit heb ik geforceerd moeite gedaan om bij haar in het gevlei te komen. Haar nurksheid raakte geen gevoelige snaar bij mij.

Fumika en haar moeder hadden vaak forse aanvaringen. Zij waten aan elkaar gewaagd en konden elkaar snel en moeiteloos op de kast krijgen. Ik was verbaasd wat ik zag, maar voelde ook dat Fumika van haar moeder houdt. In de loop van de tijd had Fumika mij verteld, hoezeer haar moeder door dik en dun haar altijd heel realistisch geholpen had.
Niet om mijzelf een pluim te geven, maar ik gaf Fumika er een paar keer van langs en stelde, dat zij zich anders diende op te stellen. Fumika veranderde en haar relatie werd vloeiender, minder explosief (het lontje was weggenomen)  en prettiger.  De stress verdween.

Fumika en ik waren vaak voor langere tijd in Nederland, waar wij tenslotte woonden. Vrouwmoedig verdroeg Setsuko dat, terwijl Fumika toch haar enige kind, maar ook, niet onbelangrijk, haar vertrouwelinge was. Financiële zaken begreep zij niet meer en haar vergeetachtigheid werd groter. Soms belde ze naar Nederland voor een kletspraatje.

Wanneer wij in Japan waren gingen wij soms met haar uit eten en probeerde Fumika regelmatig ook haar huis schoon te maken. Steevast werd deze laatste niet gevraagde dienst niet geapprecieerd: "het is mijn huis!" Daar had Setsuko gelijk in. Vaak namen wij Setsuko mee naar de supermarkt waar zij leunend op haar winkelwagentje, alles secuur bekeek. Ze nam overal ruim de tijd voor; een waar uitje. Zij at soms bij ons en zat na afloop omgekeerd met haar knieen op de bank om naar mij te kijken. Mijn stelling is, wanneer Fumika kookt, kan ik toch op z'n minst de afwas doen. Setsuko kon er niet genoeg van krijgen mij de vaat te zien doen.
Er kwam wat hulp van de sociale dienst; soms werd zij ook opgehaald om met anderen een aardige middag te hebben. Gezien haar konditie had zij recht op meer hulp, maar wanneer het hoofd, mevrouw Ishikawa, op bezoek kwam om Setsuko's konditie , haar gezondheid en mobiliteit, te testen, schepte Setsuko altijd parmantig op, dat er eigenlijk niets met haar aan de hand was.

In die tijd kreeg zij een rolstoel en ging ik soms geruime tijd met haar wandelen. Rijden, rijden in een wagentje. Wij stonden bij van alles en nog wat stil: een bloem, een boom, een tuin een persoon. Setsuko had zich de rol aangemeten mij te vertellen hoe iets heette en wat je er bijvoorbeeld mee kunt doen. Mijn japans is onder-minimaal en uit arremoede antwoordde ik steevast met hai, hai. Fumika zei regelmatig: dit is een perfekt huwelijk: jij rijdt haar rond, Setsuko doet het woord en jij spreekt haar ook nog eens nooit tegen. Setsuko was 't nog nimmer in haar leven overkomen, dat iemand haar altijd gelijk gaf, zeker Fumika niet. Wij samen waren het ultieme voorbeeld van 'wa'. Ik vond het altijd heel plezierig zo met haar te wandelen. Het was nooit een opgave.


Zonder planning werden wij steeds meer vriendjes.

Begin december 2004 moesten wij hals over kop naar Japan. Setsuko was gevonden nadat zij lang alleen in haar woning op de grond had gelegen; een beroerte. Haar tweede. Zij moest opgenomen worden. Het zag er allemaal niet mooi uit. Fumika was een schoonheid van zorg en coördinatie. Setsuko verbleef in twee ziekenhuizen, herstelde weer en kreeg een bevoorrechte plaats zonder wachtlijst in Helios, een verzorgingstehuis, zogezegd om de hoek; prachtig gelegen.
Een hele omslag. Alzheimer kwam steeds meer om de hoek kijken. Wij bezochten op een keer haar woning met haar en verveeld en ongeïnteresseerd vroeg zij zich hardop af, wat wij op deze vreemde, onbekende plek toch aan 't doen waren.

Uiteindelijk hebben wij haar woning leeggeruimd, schoongemaakt en wat opgeknapt. Er was geen weg meer terug.

1 Augusts 2005 zouden wij definitief immigreren in Japan. Twee dagen eerder moest Setsuko weer met spoed opgenomen worden; water in haar longen. Hart werkt slecht. Intensive care. Een bijna dood lichaam aan slangen en draden. Wonderwel was zij na een week weer bij en kon weer terug naar Helios. De arts-direkteur besloot om niet bekende redenen, dat zij een sprong over ruim 40 wachtenden mocht maken. Setsuko werd in een luxe, japanse stijl verpleeghuis op het zelfde terrein opgenomen. Mijn hypothese is, dat de directeur Setsuko gewoon een aardig mens vindt.

Onze communicate is nu uitsluitend lijvelijk en direct. Blote arm aanraken en strelen: dat is de gewoonste zaak van de wereld. Kietelen in haar zij doet haar grinniken en komisch bewegen. Haar nek masseren en haar haar op orde brengen is routine. Zij vergeet de namen van haar kleinzoons of verwisseld ze. Daar kan met name de jongste totaal niet tegen. Setsuko vergedt ook alsmaar wat ze doen.
Ook speelt de dame voortdurend vals. Wanneer Fumika over zaken praat, die Seisuko is vergeten   -en dat zijn er velen, zoniet allen-   pretendeert ze dat allemaal nog heel goed te weten. Personeelsnamen zeggen haar ook niets meer. Ze kijkt eerst stiekem op het naamkaartje, dat aan ieder revers hangt en speelt dan herinnering. Het zij haar allemaal vergeven.

Wanneer ik onder haar voeten kietel reageert zij altijd heel energiek. Het is goed te zien, dat er leven in haar is.


Wanneer ik niet met Fumika meekom, vraagt zij altijd waar ik ben en wat ik doe.

Ik heb een schoonmoeder. Wij hebben een goede tijd samen.

En mocht er al iemand op de onzalige idee komen een "schoonmoedergrap" te willen vertellen, dan zal ik pal voor haar gaan staan en melden, dat zij daar NIET in past.



Vorige pagina

Volgende pagina

Terug naar begin