Sakawa MONOGATARI
 
   
                  

IX   1982, JAPAN, enigszins gevaarlijk

 
Eerste dag was vreselijk
.
Ik heb al de vraag gesteld, waar een verhaal begint. Terugkijkend heb ik zelfs meer dan 1 antwoord. Echter, een van de antwoorden is verdedigbaar: het moment dat ik mijn voeten op Japanse grond zette, onwetend, open, roekeloos, sterk en zelfverzekerd [of 'stom' zou je kunnen zeggen; deze woorden zijn soms uitwisselbaar]. De eerste dag is een harde les over aannamen, onwetenheid, de manier van mensen en tenslotte: opluchting. In mijn immigrate-jaar, 2005, toen ik met schrijven begon, maakte ik twee schetsen over mijn eerste dag in Japan -1982- ergens eind juni, vermoed ik, en drie weken later. Toen begon de Sakawa monogatari zo ongeveer, terwijl ik me dat in het geheel niet bewust was.

In Godes naam wat doe ik hier..............

Ik zie 't nog duidelijk voor me^ het station van Niigata rechts, links een viaduct en een Japanse leraar Engels, die me al enige tijd had gebruikt om zijn Engelse konversatie op te praktiseren. Hij was naast me komen zitten op een bankje en legitimeerde zijn aanwezigheid met de vaststelling, dat praten met mij zijn vaardigheid zou vergroten.
Het was 1982.
Zomer.


Uren eerder op het vliegveld had ik zonder enige twijfel aangenomen een kaart te
kunnen kopen om daarmee een looptocht door Japan te beginnen. Mijn rugzak was
zwaar beladen inklusief een spiritus kooktoestelletje    -zonder spiritus-   en veel boeken. Vijfentwintig kilo's. Het vliegveld bleek in alle opzichten een lege plek.
Geen kaart dus.
Het vliegveld bleek ook nog eens een flink eind buiten de stad.

Wat dralend buiten het gebouw, ontdekte ik een bushalte. Waar een eventuele bus naar toe zou kunnen gaan, had ik best zelf kunnen bedenken. Ik had van hier uit ook kunnen beginnen te lopen, maar waarheen dan?
Toch maar een kaart zien te bemachtigen.
De bus komt. Even ervoor vraagt een jonge Japanse vrouw in keurig Engels: "can I help you?" Wit fraai gestreken bloesje. Ik smelt.

Eerste trede, linkerkant nummertje uit de automaat trekken, zitten. Geen wisselgeld. Geen probleem: bankbiljet in machine naast de chauffeur gedurende het rijden. Een bord met nummers aan de voorkant geeft de prijs per nummer aan. Centrum. Gepast geld o
p lopende bandje met papieren nummertje. Klaar is Kees. Winkelstraten; links verkeer. Boekhandel. Kaart van de provincie: bingo!
Helemaal tevreden met mezelf.


Oh, nee......alles in 't Japans...


Tsja, nu echt helemaal geland in Japan.

Wat rondlopen. Echt moe na een lang jaar werken en een zeer lange reis. Het is al vier uur. Ik wil in ieder geval de stad uit zien te lopen voor 't donker wordt. Even op een bankje zitten.........


Waar ik precies naar toe wil?

In ieder geval de stad uit.
Welke richting dan?
Ik probeer de  onderkant van de bovenkant van  mijn pas verworven kaart te onderscheiden.
Welke richting dan?
Weet ik niet. Tuur op mijn kaart. Zie eigenlijk niets. Hoe kom ik de stad uit?
'Mijn' leraar Engels begrijpt mijn vraag niet goed. In een soort uiterste poging een onzinnige vraag toch enig respect te verlenen, wijst hij naar het viaduct. Als je eronder door bent: rechts aanhouden.

Ik loop al uren.

De stad wordt maar niet minder stad.
Wat ben ik moe!
In schemerlicht wordt de bebouwing dunner. Ik loop door steeds meer rijstvelden, die onder water staan. Millioenen piepkleine kikkertjes springen rond, dat het een aard heeft. Ik moet zelfs uitkijken waar ik mijn schoenen neerzet.
Niet 1 vierkante meter waar ik mijn tent kan opzetten. Alles onder water.

Oh, mijn God, wat ben ik begonnen? Wat doe ik hier?

Gewoontegetrouw vloek ik, waarschijnlijk. Zelfs hier en nu illustreer ik, dat ik uit een christelijke kultuur stam.
Geen keuze dan doorlopen, Geen verkeer, geen mensen. Smalle weg.
Het is echt donker,' mischien 7 of 8 uur 's avonds.
Voel ook honger, maar vooral een immense moeheid en verlorenheid.
Op goed geluk naar Japan.' ezeltje prik: Niigata. Wij zien wel waar het schip strandt
Nou: hier dan!

Hoe lang ik verder Iiep; ik weet het niet meer. Knaldonker. Een paar huizen. Geen
 mensen. Voel me gedemoraliseerd. Is dat een winkeltje?
Misschien.
Misschien ook niet.
Krakkemikkig schuifdeurtje, laag, piepkleine winkel, niemand aanwezig.
Eerst niets, dan gestommel na mijn roepen en tenslotte een totaal verbaasd klein, oud vrouwtje.
Zij ziet een lange man met een ongeschoren, gekweld gezicht, die iets van een lach forceert en een enorme rugzak.
Engels is een wereldtaal; de zoveelste verkeerde aanname vandaag.
"Ik zoek een plekje voor mijn tent."
De uiterste verbazing op het gezicht van het vrouwtje blijft. Deze situatie is niet te snappen. Zij roept haar man.
Meer van het zelfde. Stiltes.
Herhalingen.
Niets werkt.

Menselijke ontmoetingen Zijn interessant. Maar niet nu!!!


Ik wijs met veel mimiek op mijn ingepakte tent en doe voor wat ik het liefste van alles
wil: SLAPEN. Ik mime slapen.
De verbazing wordt alsmaar groter.
Dit is niet leuk.
Duurt naar het lijkt een eeuwigheid.

Een van de twee zal wel weggegaan zijn, of nee, waarschijnlijk een telefoontje gepleegd
hebben. Er komt een derde persoon binnen, verlegen. Een vierde. En meer.
Ik herhaal op de toppen van mijn kunnen mijn verwijzingen naar mijn tent en mijn ultieme droom: SLAPEN.
Ik imiteer snurkgeluiden. Ik doe het opbouwen van mijn tent voor in het luchtledige.

Hier grijpt kennelijk de voorzienigheid in en iemand roept met een gebaar van 'had dat dan eerder gezegd':
aaaaaahhh
            TENTO.....
...............

.............
Stilte.


...


Exakt. T e n  t o!!!


Wie beweert er dat Japans een moeilijke taal is?


Ik word snel naar buiten geloodst en in het pikkedonker ergens naar toe gebracht. Na een minuut zie ik vlakke grond, zet in trance mijn tent op en glijd met supersonische vaart in een droomloos, comateus slapen.


Previous page 

Next page 

Back to begin