Kinsei of moderne tijd (1600 - 1867)
De EDO of TOKUGAWA periode (1603 tot 1867)
U zal bij het lezen van de hiernavolgende tekst merken dat de nieuwbakken shōgun, IEYASU TOKUGAWA
streng en medogenloos kon optreden. Opdat Japan weer vanuit een
centraal gezag zou kunnen geregeerd worden was dit wel nodig. Laat ons
niet vergeten dat het land pas een 100-jarige burgeroorlog achter de
rug had en dat er in die periode diepliggende vetes ontstaan waren en
dat de legers die nodig waren om die vetes uit te vechten paraat
stonden en beter getraind waren dan ooit.
Ieyasu Tokugawa wordt echt belangrijk in de geschiedenis van
Japan na de slag van Sekigahara in 1600. Na deze veldslag, die door
Ieyasu werd gewonnen, ondanks het numerieke overwicht van het leger van
zijn tegenstander Mitsunari Ishida, lukt het Ieyasu om in 1603 zich te
laten benoemen tot shōgun. Ieyasu had er wel voor gezorgd dat een groot
gedeelte, zoniet het grootste gedeelte van de oppositie na de slag van
Sekigahara werd geëlimineerd. U mag dit letterlijk nemen, want Ieyasu
beval om na zijn overwinning 40000 van zijn verslagen tegenstanders te
executeren, waaronder ook Mitsunari Ishida. Hideyori Toyotomi, de zoon
van Hideyoshi Toyotomi (de leider van het vorige bewind), kon
ontsnappen en was dus de enige overgebleven tegenstander.
Hideyori nam zijn intrek in het kasteel van Osaka. Daar Ieyasu
vanaf 1603 toch tot shōgun benoemd was, was er hem in eerste instantie
niet veel aan gelegen om Hideyori te bekampen daar hij stevig
verschanst was in de bijna oninneembare burcht van Osaka. Het volstond
Ieyasu dat Hideyori verder in Osaka resideerde. Hideyori werd van dan
af door Ieyasu beschouwd als één van de kleinere daimyō, zonder veel
macht of invloed op de andere daimyō.
De moeder van Hideyori, YODO, drong er echter bij haar
zoon op aan opdat hij de macht terug zou grijpen. Wanneer Ieyasu hier
achter kwam nam hij de beslissing om de Toyotomi clan uit te roeien. In
de winter van 1615 was het dan zover en Ieyasu viel het kasteel van
Osaka aan. Tijdens dit offensief had Ieyasu zowat de hele tijd de
overhand. Plots wegen de woorden van moeder Yodo niet meer zo zwaar
door en Hideyori besluit om zich te verzoenen met Ieyasu. Deze laatste
gaat akkoord, doch enkel op voorwaarde dat de buitenste van de twee
kasteelgrachten vernietigd zou worden. Hideyori gaat hiermee akkoord
doch de gezant van Ieyasu vernietigde beide wallen. Op deze manier was
het kasteel zo goed als weerloos.
Het volgende jaar, in de zomer van 1616, viel Ieyasu het kasteel weerom
aan en versloeg de troepen van Hideyori. Deze zag geen andere uitweg
meer dan zelfmoord te plegen. De Toyotomi clan was vernietigd.
In het beleg en de slag van het kasteel van Osaka is enige invloed
van Europa nooit ver weg. Vanaf de tweede helft van de 16de eeuw
landden de Portugezen op Japanse bodem. Zoals altijd en overal stuurden
de Portugezen geestelijken mee op deze reizen. De invloed van de kerk
in Europa was een niet te onderschatten factor om dit soort
ontdekkingsreizen te kunnen ondernemen. In het geval van Japan waren
het vooral de Jezuïten die mede dank zij hun kennis van wereldse zaken
tot op het niveau van de shōgun hun invloed konden laten gelden. Via de
Portugezen kwam Japan in aanraking met moderne wapens zoals haakbussen,
kanonnen en mortiergeschut. Het was mede dank zij het gebruik van deze
wapens dat Ieyasu het kasteel van Osaka kon innemen.
Wat Ieyasu inspireerde in zijn handelen als shōgun was vooral zijn
opgedane ervaring in de periode dat hij diende onder Oda Nobunaga en
Hideyoshi Toyotomi. Zoals reeds in het vorige hoofdstuk aangehaald werd
Oda Nobunaga geen shōgun omdat hij sterk genoeg was om het land te
leiden zonder toestemming of hulp van de keizer (de shōgun werd door de
keizer benoemd, al had de keizer zelf weinig of geen invloed op deze
beslissing). Mocht Oda langer geleefd hebben dan was hij er vrijwel
zeker in geslaagd om heel Japan onder zijn gezag te verenigen. Ieyasu
moet van deze man ongetwijfeld veel overgenomen hebben.
Hideyoshi Toyotomi van zijn kant kon maar aan de macht komen nadat Oda van het toneel verdwenen was. Hideyoshi echter kon
geen shōgun worden, daar hij van te lage afkomst was. Hideyoshi had het
hierdoor moeilijker om zijn gezag te bestendigen. Hij had wel degelijk
de morele steun nodig van de keizer. Hij liet zich door de keizer tot KANPAKU, dit is "regent van de keizer", benoemen.
Ieyasu wist dat hij enkel kon slagen in zijn opzet als hij het hele land naar zijn hand kon zetten.
Enkele van de maatregelen die Ieyasu trof om het gezag van de Tokugawa clan veilig te stellen waren de volgende:
SANKIN KOTAI
Deze regeling hield in dat elke daimyō om het ander jaar verplicht
diende te resideren in Edo. Zo moest bijvoorbeeld de daimyō van Satsuma
na één jaar verblijf in zijn kasteel in de meest zuidelijke tip van het
Japanse eiland, verplicht naar Edo reizen om daar gedurende een jaar te
verblijven in een luxe woning die hijzelf op eigen kosten diende te
laten optrekken (DAIMYŌ YASHIKI).
De afstand van Edo tot Satsuma is ongeveer 1000 km en het gezelschap
dat de daimyō vergezelde kon uit wel meer dan 200 man bestaan. Dit
maakte het nodig dat een goed uitgebouwde infrastructuur werd opgezet
om deze reizen toe te laten. Zulk reizend gezelschap werd DAIMYŌ GYORETSU
genoemd. Voor de liefhebbers van de boeken van James Clavell is het
misschien wetenswaard dat zijn laatste boek, GAI-JIN, gebaseerd is op
het waar gebeurde feit dat een Engels zakenman de dood vond bij een
treffen met de begeleiders van de daimyō van Satsuma die toen op weg
was van Edo naar zijn kasteel in Zuid-Japan.
Een voordeel van deze wet was dat de wegen waarlangs de daimyō zich verplaatsten, de KAIDŌ,
goed ontwikkeld en onderhouden werden en dat zij over een uitstekende
infrastructuur beschikten wat de gehele bevolking ten goede kwam. Er
werden veel SHUKUBA-MACHI, (herberg-steden) opgericht, waar de
reizigers onderdak vonden, en deze shukuba-machi bezorgden arbeid aan
menige Japanner. Een van de bekendste kaido is wellicht de TŌKAIDŌ, de kustweg die Edo met Kyotō verbond.
Het klassen systeem
Het was in het verleden reeds voorgekomen dat plots een sterke figuur
van uit het niets op de voorgrond trad en alle gevestigde machtsfiguren
het nakijken gaf. Dit was onder andere het geval met Hideyoshi
Toyotomi. Hideyoshi was van lage afkomst, doch wist door een veelheid
aan factoren zich aan het hoofd van de natie te plaatsen. Wat Hideyoshi
zelf het meest hierin dwars zat, was het simpele feit dat dit mogelijk
was. De mogelijkheid dat een eenvoudige boerenzoon kon opklimmen tot
omzeggens alleenheerser van het land was een factor die de toekomstige
stabiliteit van het land bedreigde. Het was duidelijk dat dit zich zou
kunnen herhalen in de toekomst. Om het aantal personen dat potentieel
een leidende functie zou kunnen geven te beperken (er zouden minder
mogelijkheden voor onverwachte wendingen zijn), voerde Hideyoshi het
klassesysteem in. Dit klassesysteem bestond erin dat iemand in een
bepaalde kaste geboren werd en hij en zijn nakomelingen (bijna)
onmogelijk naar een hogere kaste konden opklimmen.
Tegenwoordig wordt naar het klassensysteem verwezen onder de term "Shi-no-ko-sho".
- "SHI" staat voor "Bushi" of "Samurai"; de edelen. Het was enkel aan
deze klasse toegestaan om het lange zwaard, de katana' te dragen en
alleen zij hadden een familienaam. Het waren ook de edelen die het
bestuursapparaat van het land vormden.
- "NO" zijn de boeren en landbouwers, dikwijls HYOKUSHO
genoemd in het Japans. Hoewel het shōgunaat de boeren boven de
handelaars en ambachtslieden plaatste, werden zij het zwaarst belast
(60% van de oogst was voor het shōgunaat). Om revoltes tegen het
shōgunaat te vermijden plaatste het shōgunaat intriganten in hun rangen
om hen tegen mekaar op te jutten.
- "KO" zijn de ambachtslui en
- "SHO" de handelaars en
winkeliers. Hoewel als laagst gerangschikt, waren de handelaars de
machtigste klasse: zij hadden het geld. Menig rijke handelaar leidde
een veel luxueuser leven dan het merendeel der daimyō. Meestal onstond
de rijkdom van een handelaar door het opkopen van rijstoverschotten op
het moment van de oogst, om deze dan te stockeren en later (met
aanzienlijke winst) verder te verkopen.
Onofficieel waren er nog twee lagere klassen: de ETA en de HNIN.
De eta werd door het shōgunaat in het leven geroepen om het ongenoegen
van de boeren af te leiden. Mensen die in de eta klasse verzeild
geraakten werden als onrein beschouwd en werden gediscrimineerd in alle
mogelijke aspecten van het maatschappelik bestel. Zij konden feitelijk
geen ander werk verrichten dan dat van slachter, vilder, leerlooier of
beul. Dit alles waren beroepen die in de Edo periode als onrein werden
aanzien.
Het kon nog erger. Op de allerlaagste trap van de maatschappelijke
ladder stonden de hnin. Hnin wil zoiets zeggen als "niet menselijk
wezen". Tot deze klasse behoorden de misdadigers. Het shōgunaat deed er
alles aan om een voortdurende strijd tussen de eta en hnin klasse te
ontlokken.
Er was dus orde geschapen in de voorheen rumoerige maatschappij.
De samurai hadden de bestuurlijke macht in handen. De boeren voorzagen
hen van voedsel. De mogelijke onvrede van de boeren werd afgeleid door
hen als tweede klasse te rangschikken en door de klassen van eta en
hnin te creëren; klassen die feitelijk rechteloos waren en die
institutioneel konden gediscrimineerd worden. De ambachtslieden stelden
het relatief goed en de handelaars, hoewel als laagste in rang waren
goed georganiseerd en waren feitelijk de enigen die over de gehele lijn
van het shōgunaat profiteerden (handel en winst maken was toegestaan,
er was vrede en er waren voldoende betalende klanten).
Bij het einde van het shōgunaat in 1867 werd officieel het
klassensysteem afgeschaft, doch de wijdverbreidde en
geïnstitutionaliseerde discriminatie tegen de eta klasse bleef
voortbestaan. Nog heden ten dage worden mensen van wie men aan de weet
komt dat hun voorouders tot de eta klasse behoorden, gediscrimineerd.
Overigens kent Japan vandaag de dag een gelijkaardig probleem dan de
Verenigde Staten, waar de problemen van de amerikaanse indianen en die
van de Ainu (in het uiterste noorden van Japan) van gelijke aard zijn.
Sakoku (gesloten land)
In de loop van zijn geschiedenis heeft Japan zich meermaals
afgezonderd van de buitenwereld. Nooit echter was deze afzondering zo
volledig als tijdens het Tokugawa shōgunaat. De redenen die
voorafgingen aan deze periodes van isolatie verschilden bijna steeds.
De opeenvolgende Tokugawa shōguns hebben dit proces van afzondering
stap voor stap voltrokken, deels als strategie voor hun beleid, deels
als reactie tegen bestaande specifieke problemen of problemen in
wording. Één van die problemen was de verspreiding van het katholieke
geloof dat door de Portugese Jezuïten in Japan werd gepropageerd.
Franciscus Xaverius was meegereisd met de eerste expeditie die Japan
aandeed in 1546. De Jezuïten, steunende op hun reeds opgedane kennis in
China en de kennis van het Chinees, zowel in spraak als in schrift,
hadden het relatief makkelijk om door te dringen tot op de hoogste
politieke niveaus in Japan. De eerste Portugezen werden als curiosa
aanzien, en het was dus logisch dat deze lieden stapsgewijs aan steeds
hogere functionarisen werden voorgesteld. Hierbij werden zij sterk
geholpen door hun mogelijkheid tot communicatie via het kanji, de
chinese schrifttekens. De Jezuïten verstonden wel het Japans niet, doch
schriftelijk communiceren via de chinese schrifttekens was wel mogelijk
daar beide partijen deze tekens verstonden. De stap naar het aanleren
van de japanse woordenschat was voor de Jezuïten dan ook relatief snel
gezet. Zo fungeerden de Jezuïten lange tijd als tolken (via het latijn)
naar andere Europeanen die Japan aandeden. Deze monopolie positie van
de Portugezen en van de Jezuïten in het bijzonder ging natuurlijk ook
niet ongemerkt voorbij aan de aandacht van de shōgun. Hierbij kwam dan
nog het feit dat de Jezuïten een grote bekeringsdrift vertoonden. Op
zich geen probleem, ware het niet dat vele hooggeplaatse Japanners zich
tot het katholicisme lieten bekeren omwille van de handelsmogelijkheden
die dit bood (Oda Nobunaga bijvoorbeeld was gedoopt). Het katholicisme
verkreeg stilaan een niet onbelangrijke aanhang. Één van de punten
echter die maakten dat dit katholieke geloof een bedreiging voor de
stabiliteit van Japan vormde was de doctrine dat alle mensen gelijk
zijn in de ogen van God. Dit druiste echter regelrecht in tegen het pas
in voege gebrachte klassensysteem, waar de bushi heersten over de
anderen. Deze zienswijze zou mogelijkerwijze het volk in opstand kunnen
brengen tegen tegen de bushi en het shōgunaat. Toyotomi Hideyoshi
verbood de verspreiding en het belijden van het katholieke geloof in
Japan. Er waren meerdere bloedige repressies van katholieken in Japan
(onder andere de opstand van Shimabara in 1637) en in 1638 ontzegt
shōgun Iemitsu Tokugawa alle buitenlanders behalve de Hollanders en de
Chinezen de toegang tot het land. Dat het het shōgunaat menens was
blijkt wel uit het feit dat een officiële Portugese missie vanuit Macao
geëxecuteerd werd bij aankomst in Japan, omdat zij ondanks het verbod
toch nog voet aan land te zetten in Japan. De Chinezen mochten blijven
omdat zij al sinds eeuwen handelsrelaties met Japan onderhielden en de
chinese handelswaar een zeer gegeerd product was. De Hollanders mochten
verder handel drijven met Japan omwille van verschillende redenen.
Eerst en vooral omdat de Hollanders vanuit Calvinistische hoek veel
minder bekeringsdrift betoonden. Aan de Hollanders werd ook
uitdrukkelijk gevraagd om hun geloof niet in het openbaar te belijden.
Voorts waren de Hollanders een factor die het Chinese handelsmonopolie
constant zou blijven doorbreken en alzo zouden de prijzen niet de pan
uit rijzen (de bakufu stelde later zelfs een systeem in dat de prijzen
die voor de koopwaar aan de Hollanders betaald werden, op voorhand door
de bakufu vastgelegd werden - het weze gezegd dat dit systeem niet
blijvend stand hield). Als laatse factor waren het de Hollanders die
als enige buitenlandse mogendheid overbleven om Japan een venster te
bieden op de rest van de wereld en om westerse kennis het land binnen
te brengen. De sakoku werd pas doorbroken in 1853 met de komst van
admiraal Perry op 8 juli, die de Japanners ertoe dwong om het land voor handel
met de VSA open te stellen. Dat een vloot van 4 stoomschepen een hele
natie ertoe kon dwingen zijn grenzen open te stellen had alles te maken
met het feit dat Japan sinds meer dan twee eeuwen geen oorlog meer
gevoerd had en dat hun vloot op dat ogenblik niet opgewassen was tegen
deze 4 schepen. De komst van Perry en de daaropvolgende toegeving van
het shōgunaat om het land open te stellen voor handel met de VSA waren
een determinerende factor om de sluimerende ontevredenheid van een
gedeelte van de samurai klasse om te buigen tot een beweging die er
uiteindelijk toe zou leiden dat de macht van de keizer hersteld werd en
het shōgunaat, samen met de bakufu werd omvergeworpen in 1867.
In het Japan van voor de Edo periode bestonden er verscheidene
Ninja-scholen. Deze scholen waren in hoge mate esoterisch en waren niet
aan één heerser gebonden. Menig daimyō huurde de diensten van de ninja
in tijdens de periode van de Oorlogvoerende Staten. Het is pas vanaf
het bewind van Ieyasu Tokugawa dat alle ninja scholen onder het
centrale gezag van het shōgunaat geplaatst werden. Deze organisatie
werd KOGI OMMITSU
of kortweg Ommitsu genoemd. De Ommitsu vormde het spionageapparaat van
het shōgunaat. Hun belangrijkste taak bestond erin om informatie te
verzamelen over het doen en laten van de daimyō, en meer in het
bijzonder over de fouten die een daimyō kon begaan. Dit was van belang
voor het shōgunaat omdat fouten die een daimyō beging meestal bestraft
werden met confiscatie van eigendommen van de betrokkenne.
Hoewel het verboden was, huurde menig daimyō ook ninja in om
informatie in te winnen of om tegenstanders uit te schakelen. De top
klasse van de ninja waren wel zeer bijzondere mensen. Zij blonken niet
alleen uit in de gevechtskunst, zij waren evenzeer bedreven in het
elimineren van personen. Daarbuiten was omzeggens elke ninja ook nog
eens bedreven in één of andere taak die toegang zou kunnen verschaffen
tot een langdurige indienstname bij een daimyō (schrijven, boekhouden,
hovenier, kok ...). Het was voor de daimyō dan ook belangrijk om weten
wie mogelijkerwijze een ninja was, ingehuurd door een rivaal. Er waren
weinig technieken die zich hiertoe leenden omdat de sfeer van
geheimhouding binnen het ninja milieu van cruciaal belang was en zeer
strikt werd nageleefd (een daimyō die een ninja inhuurde wist in de
meeste gevallen zelf niet wie die persoon was). Één van de manieren die
ooit beschreven werd was dat men kinderen met een bal, een tol of een
ander snel bewegend voorwerp in de buurt van de verdachte liet spelen.
De verdachte werd dan ongemerkt nauwlettend in het oog gehouden. Als
het speeltuig van de kinderen richting verdachte ging, was het
waarschijnlijk dat een getrainde ninja dit tuig haast instinctmatig zou
ontwijken. Vanaf dat ogenblik zou alles in het werk gesteld worden om
de verdachte verder te ontmaskeren als zijnde een ninja. U neemt dit
verhaal voor wat het is.
Dat het Tokugawa shōgunaat een periode van 250 jaar van
voortdurende vrede met zich meebracht kwam er niet zonder de nodige
harde wetten. Misdadigers werden medogenloos achtervolgd en er werden
strenge en wrede straffen uitgesproken en voltrokken. Getuige hiervan
het relaas van Engelbert Kämpfer dat hij optekende bij zijn aankomst in
Edo in 1691: "Net
voor we Sinagawa bereikten zagen we de openbare executieplaats, en het
was een schokkerende en onplezierige aanblik. Menselijke hoofden en
lichamen, sommige in verregaande staat van ontbinding, sommige half
verslonden, lagen tussen andere lijken, met daartussen een horde honden
en een massa raven en andere vleesetende vogels, die er wachtten om hun
vraatzuchtige honger te stillen op deze miserabele overblijfselen"
Kämpfer was een geneesheer en had als dusdanig zeker reeds andere
schokkende taferelen in zijn loopbaan gezien. Dat uitgerekend hij in
zulke onverbloemde bewoordingen zijn afschuw uitdrukte over de aanblik
die de executieplaats bood wijst er op dat dit werkelijk weerzinwekkend
moet geweest zijn. Dit alles staat dan wel in schril contract met de
verfijnde hoofse etiquette die heerste aan het hof, in de
regeringskringen en bij de gegoede burgerij.
Kokugaku - Japanse studiën
Gedurende de Tokugawa periode werden de "Japanse Studiën" opgericht als een tak van de wetenschap, in het Japans KOKUGAKU
genaamd. Wat de Japanse wetenschappers ten gronde onderzochten waren de
essentiële kenmerken van de Japanse cultuur, om een onderscheid te
kunnen maken ten opzichte van de invloeden die deze cultuur ondergaan
had vanuit China, Zuid-Oost Azië en Europa. Wat dit voor een groot deel
inhield waren de studie van het shintoïsme, de vroege schrijvers van
japan (de manyoshu) en de beschrijvingen van de Japanse cultuur aan het
hof ten tijde van de Heian periode (werken van Sei Shōnagon, Shikibu
Murasaki...).
Boven alles was het het shinto dat de geest en cultuur van Japan
belichaamde. Van de tijd van vóór de introductie van de Chinese cultuur
in Japan was haast niets geweten van het shinto en na de integratie van
de Chinese cultuur in de Japanse werd het moeilijk om nog een
onderschied te kunnen maken tussen wat puur shinto was en wat niet. De
kokugakushu begonnen er dus het originele shinto terug uit te filteren
om zodoende de Japanse cultuur terug te "zuiveren". Het meeste van wat
ons bekend is over het shinto en van wat wij heden ten dage beschouwen
als puur Japans zijn voornamelijk uitvindingen van de kokugakushu. Deze
uitvinding van shinto en de Japanse cultuur, samen met de motivatie,
namelijk de zuivering van de Japanse cultuur, vormen nog steeds de kern
van de hedendaagse Japanse zelf-definitie.
Het is onder meer onder invloed van deze tak van de wetenschap
binnen Japan dat de idee onstaat om de macht van de keizer te
herstellen.
Sonnō Jōi of het einde van het Tokugawa shōgunaat
Nadat Perry er in 1856 in slaagde om een handelsopening te forceren
met Japan, groeide het verzet tegen het corrupte regime van de bakufu
en tegen de steeds tanende bekwaamheid van de leiders. De centra van
verzet situeerden zich in Satsumu, Choshu en Tosa. De ontevredenen
groepeerden zich in het geheim en hun leuze was "Sonnō Jōi", wat staat
voor "de keizer dienen en de vreemdelingen verdrijven" en zij waren
vooral gekend als ISHIN SHISHI,
"mannen van het hogere doel". De ishin shishi waren meestal samurai van
lagere rang. Zij waren uitgesproken loyalisten en radicaal in hun
opvattingen en handelen. Omwille van hun lagere rang waren de ishin shishi
meestal niet in de mogelijkheid om hogere functies te bekleden en alzo
invloed uit te oefenen op het politieke bestel via de conventionele
kanalen. Hierdoor waren zij gedreven om hun ideën op een wel zeer
drastische en assertieve manier te uiten.
Op politiek gebied waren de voornaamste doelstellingen van de
shishi te herleiden tot hun slagzin "Sonnō Jōi", 't is te zeggen de
macht van de keizer herstellen en de buitenlanders verdrijven. De
ishin shishi beschouwden de keizer als de wettige heerser van Japan en zij
hoopten de noodzakelijke veranderingen kunnen door te voeren opdat de
feitelijke macht bij de keizer zou komen te liggen. Tot nu toe was de
keizer (sinds de Nara periode - 8ste eeuw) eigenlijk enkel ceremonieel
het staatshoofd geweest. Het dienen van de keizer stond hoog in hun
vaandel geschreven, zo hoog zelfs dat Ryoma Sakomoto, één van notabelen
van de ishin shishi beweging, verkondigde dat de keizer dienen belangrijker
is dan het dienen van de familie. De tweede belangrijke doelstelling
was het verdrijven van de buitenlanders, dit in overeenstemming met de
wens van de keizer. Het verdijven van de buitenlanders sloeg vooral op
de westerlingen die zich steeds sterker opstelden ten opzichte van het
shōgunaat en de bakufu. De shōgun had hiertegen geen antwoord en moest
stap voor stap steeds meer toegeven aan de eisen van de westerlingen om
Japan open te stellen voor hun handel. Hoewel de impact van de westerse
invloed op het dagelijkse leven van het overgrote deel van de bevolking
praktisch nul was, viel iedere toegeving die de bakufu moest doen aan
de westerlingen sterk op, omdat Japan op dat ogenblik als geen andere
natie zeer homogeen was en elke toegeving in de regel als zeer
tegendraads aan de gangbare wetten en gewoonten waren. Laat ons niet
vergeten dat Japan net een periode 200 jaar van bijna volledige
isolatie van de rest van de wereld achter zich had waardoor het een
zeer op zichzelf gerichte natie was geworden.
De bakufu stond voor de ishin shishi haaks op beide idealen van Sonnō
Jōi omdat zij onrechtmatig de macht uitoefende van de keizer en omdat
zij in de onmogelijkheid was de imperialisten te verdrijven. Hierdoor
kwam het dat de ishin shishi gewelddadig uithaalden naar zowel de bakufu
functionarisen als naar de buitenlanders. De meest tot de verbeelding
sprekende acties van de ishin shishi waren wel de moord op tairo Naosuke Li
en hun aanvallen op westerse schepen en op de Britse legatie. Deze
aanvallan werden uitgevoerd met een ongekende bravoure. Sommige van de
ishin shishi gingen zo ver dat zij, zoals in Choshu de controle over het
domein verwierven. Deze Choshu loyalisten zouden Choshu van dan af
regeren volgens hun radicale opvattingen en dit zou van dan af ernstige
implicaties met zich meebrengen voor de rest van Japan.
De ishin shishi creëerden een atmosfeer die tot onmiddelijk handelen
dwong met de buitenlanders en die de grondvesten van het interne
bestuur aantastte. In tegenstelling tot de houding van de hogere
samurai en de daimyō, die een meer afgemeten en tragere aanpak
voorstonden, handelden de ishin shishi; beslissende handelingen die hen
steeds dichter bij hun doel brachten.
In 1867 was het zo ver en werd de keizer (terug) in ere hersteld.
Het herstel van het Meiji bewind, of de "Meiji restoration" zoals de
Engelse term hiervoor luidt.
|