Chusei of middentijd (1192 - 1600)

De KAMAKURA of MINAMOTO periode (1192 tot 1333)
KAMAKURA was de militaire hoofdstad en MINAMOTO de naam van de regerende clan. Deze periode wordt dikwijls het eerste shōgunaat genoemd, hoewel reeds in de periode tussen het jaar 71 en 130 van onze tijdrekening de toen regerende keizer Keiko deze titel toegemeten kreeg en later in 720 wordt deze titel nogmaals toegekend. YORITOMO MINAMOTO wordt wel de eerste shōgun wiens titel erfelijk is. Het land (of tenminste grote gedeeltes ervan) wordt geregeerd door de Minamoto clan. Yoritome installeert de BAKUFU, dit is de militaire regering. De keizer heeft nog slechts macht in spirituele aangelegenheden en is dikwijls een kind of monnik. Het feodale systeem komt tot ontwikkeling. De soldatenklasse (de BUSHI) krijgen een grotere sociale status toebedeeld en staan economisch sterker wegens de hun toebedeelde rechten op de rijstwinning. Het ZEN BOEDHISME wordt populairder en andere boeddhistische sectes zoals JODO-SHIN-SHU en NICHIRENITE zien het levenslicht. Het feodale landsysteem kende vanaf dan zijn opgang. In 1274 begint de eerste Mongoolse oorlog, als het Mongoolse en het Koryo leger noord-Kyūshū aanvallen. De mongolen worden verdreven door tussenkomst van een "goddelijke wind", een taifoen, in het Japans een KAMIKAZE. In 1281 begint de tweede Mongoolse oorlog en weerom worden de Mongolen verdreven met de hulp van een opstekende taifoen. In 1321 herstelt keizer GODAIGO het keizerlijke bewind. Er treedt een schisma op en keizer Godaigo verhuist het hof naar Yoshino (de zuidelijke dynastie) terwijl keizer KOMYO Kyōto overneemt met de hulp van ASHIKAGA TAKAUJI (noordelijke dynastie).
Het is ook in deze periode dat het shōgunaat de idee onderschrijft dat alles veel eenvoudiger moet. Dit reflecteert zich in de kunst, die gekenmerkt wordt door een strakke eenvoud en in de levenswijze, waar alle luxe en extravangantie geweerd wordt. De reden die hiervoor opgegeven wordt is dat al de luxe en extravagantie de ondergang van de HEIKE clan zou betekend hebben, daar zij hierdoor het elan van de bushi verloren hadden.
In 1192 wordt het Kamakura shōgunaat geboren. Nadat MINAMOTO NO YORITOME, de leider van de GENJI clan, de Heike clan verslagen had, bedreigde hij de heerschappij van de keizer. In een poging om dit noodlot te doorbreken benoemde de keizer Minamoto tot SEII TAI SHŌGUN, een noodfunctie, die hem de macht gaf over het hele militaire apparaat, met als doel de barbaren te verslaan. De keizer leed geen gezichtsverlies en, theoretisch althans, stond Minamoto nog steeds onder bevel van de keizer. In de praktijk echter kon Minamoto zijn legers verplaatsen naar waar hij wilde en aanvallen inzetten naar eigen goeddunken zonder toestemming of raadpleging van de keizer. Minamoto werd dus de sterke man van Japan. Eens hij tot shōgun benoemd was installeerde hij in Kamakura zijn administratie, de BAKUFU, die onafhankelijk werkte van de administratie van de keizer.
Minamoto zal echter niet lang van zijn shōgunaat kunnen genieten, want hij sterft vrij spoedig nadat hij de bakufu heeft opgericht. Zijn zoons volgen hem op (de titel was nu erfelijk), doch zij zijn ook geen lang leven beschoren. Zijn eerste zoon sterft nogal vroeg en zijn tweede zoon, de derde shōgun van de Genji clan was MINAMOTO NO SANETOMO, die in 1219 vermoord werd.
De keizer GO-TOBA ziet nu zijn kans schoon en hij trommelt een leger bij elkaar om het shōgunaat te vernietigen en zijn soevereiniteit terug te winnen. Dit is echter buiten de waard, in dit geval de vrouw, gerekend. Yoritomo's weduwe, HOJO MASAKO, (de moeder van shōgun nummer 2 en 3), nam dra het regentschap op zich om het land te regeren. Zij riep haar krijgsheren in het hele land bijeen en de meesten verkozen inderdaad om haar te volgen. Het shōgunale leger, geleid door HOJO YASUTOKI trok op naar Kyōto en versloeg daar het keizerlijke leger. Deze slag is gekend als DE SLAG VAN JOKYU (1219) en het is vanaf dan dat de keizerlijke macht volledig gebroken is.

Van dan af leverde de Hōjo clan de regenten en controleerde als dusdanig de bakufu, terwijl Yoritomo's afstammelingen verder de titel van shōgun droegen. Het Kakamura shōgunaat controleerde nooit erg veel van het Japanse grondgebied en dit niettegenstaande de daimyō (zij die heersten over de provincies) trouw zwoeren aan de shōgun. De verhouding tussen het keizerlijk hof te Kyoto en de bakufu te Kamakura bleef altijd gespannen en getrouwen van de ex-keizer Go-Toba organiseerden in 1221 vruchteloos een rebellie tegen de Hōjo clan.

In 1159 vindt men nog de tijd om de SLAG VAN HEIJI uit te vechten en in 1185 vindt de SLAG VAN DANNOURA plaats.

In 1274 trachten de Mongolen, deze van Djenghis Khan, Japan onder de voet te lopen, zoals zij reeds gedaan hadden met de rest van Azië en Europa. Zij zetten een aanval in op noord-Kyūshū, dit samen met het leger van Koryo. Net op het ogenblik dat de Japanners hun tegenoffensief inzetten stak er een sterke wind op. Tegenwoordig noemen wij deze wind een TAIFOEN. Voor de Japanners was dit echter duidelijk een teken van goddelijke tussenkomst, temeer daar zij tijdens deze taifoen de gezamelijke legers van de Mongolen en Koryo wisten te verdrijven. De Japanners noemden deze wind prompt KAMIKAZE. "Kami" staat voor god / goden / godheid en "kaze" betekent zoveel als wind. Een goddelijke wind dus [ ;-) ]. Wij zullen later zien, in het hoofdstuk over de tweede wereldoorlog, dat deze uitdtrukking dan terug opgerakeld wordt.
De Mongolen krijgen er niet genoeg van en zij trachtten in 1281 opnieuw Japan in te nemen. De goden waren echter weer met Japan, want weerom werd het mongoolse leger teruggedreven tijdens een taifoen.